zondag 12 juni 2011

Twee jaar na de verkiezingen van 12 juni


Precies twee jaar geleden was ik in Isfahan, en zag ik duizenden Iraniërs opgetogen naar de stembus trekken. De overweldigende meerderheid van hen droeg de kleur groen - een verwijzing naar de campagnekleur van Mir-Hossein Mousavi, de hervormingsgezinde presidentskandidaat. Ik schreef daarover dit in mijn boek:

Eindelijk is het 12 juni, ‘D-Day’, de dag van de presidentsverkiezingen, de dag waar ik zo veel Iraniërs naar heb toe zien leven, maar ook de dag die sommigen bang maakt omdat ze niet meer durven te geloven in verandering. Wanneer ik ’s morgens in het hotel de televisie aanzet, stemt het eerste bericht me hoopvol. Er wordt gesproken over een ‘recordopkomst’. Een hoge opkomst hangt in Iran samen met winst voor de hervormingsgezinden: in 1997, bijvoorbeeld, leidde 80 procent opkomst tot 70 procent stemmen voor Khatami.

Op straat lijkt er een feest aan de gang. Groen geklede jongeren trekken uitgelaten naar het stemlokaal. Taxichauffeurs toeteren en maken het vredesteken. Een jongen op een knalgele scooter steekt de Iraanse vlag hoog in de lucht. “Ahmadinedjad piroozi! Ahmadinejad overwint!”, schreeuwt hij, maar in een stad die bijna volledig groen kleurt, lijken zijn woorden aan dovemansoren gericht. Eerlijk: ook ik besteed er weinig aandacht aan, overtuigd als ik ben dat aan het einde van de dag Mir-Hossein Mousavi de nieuwe president van dit land zal zijn.

Maar het draaide anders uit:

Wanneer ik op 13 juni wakker word en de televisie aanzet, zie ik op het scherm een taartdiagram met de resultaten van de belangrijkste presidentskandidaten: Ahmadinejad, Mousavi en Karroubi. Het is meteen duidelijk wie het grootste stuk van de taart heeft. Ik kan het niet geloven. Het is onmogelijk. Ahmadinejad? Gewonnen? Even begin ik aan mezelf te twijfelen. Ben ik blind geweest? Ik was er rotsvast van overtuigd dat Mousavi zou winnen. Had ik de aanhangers van Ahmadinejad dan niet gezien? Had ik alleen oog voor het groen?

Ik snel naar beneden en word tegengehouden door de receptionist, die me verse koekjes aanbiedt om de overwinning van Ahmadinejad te vieren. Ik betrap mezelf erop dat ik de aardige man plots minder sympathiek vind.

En even later zei een taxichauffeur me het volgende:

We hadden het moeten weten. Ik weet zeker dat er fraude is gepleegd. De winst van Ahmadinejad is gewoon te groot. Voor bedrog hadden we gevreesd, maar ons niet verlammen door de angst daarvoor, omdat we met Mousavi voor het eerst sinds lang weer hoop hadden. Hoe het nu verder moet? Dat weet ik niet. Ik ben bang voor wat nu zal komen. Zo'n grote ontgoocheling hebben we sinds de Revolutie niet meegemaakt.”

Ja, hoe moet het nu verder? Twee jaar na de frauduleuze verkiezingen zijn we nog steeds niet van het islamitische regime verlost. Nog steeds worden mensen willekeurig opgepakt, gefolterd en gedood. De oppositieleiders Mousavi en Karroubi leven al maanden onder huisarrest.

Toch ben ik hoopvol. Iran zal geen Arabische lente kennen: het land is bang voor een nieuwe revolutie, en terecht. Maar de vele interne conflicten in het regime doen me geloven dat de Islamitische Republiek een stervend dier geworden is. Een dier dat zich ook bedreigd voelt, en dan zijn ze vaak het gevaarlijkst. Vandaag bereikte ons daar weer een tragisch voorbeeld van: de Iraanse journalist Hoda Saber is overleden aan de gevolgen van zijn hongerstaking. Hij protesteerde daarmee tegen de dood van Ezatollah Sahabi en zijn dochter Haleh Sahabi, over wie ik eerder berichtte op deze blog.

De Islamitische Republiek Iran: een gevaarlijk dier, maar zonder twijfel een stervend dier. Ik kan niet wachten tot het overlijdensbericht mij bereikt.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen