woensdag 10 februari 2010

Warme, groene harten

Eigenlijk was het niet de bedoeling dat hij het allemaal zou meemaken. De bange blikken in de straten van Teheran. De kreten van verzet die ’s nachts als razend vuur overslaan van dak tot dak. De gesprekken in het benzinestation en bij de bakker die vandaag alléén nog maar over politiek gaan. Zijn zoon van zeventien die af en toe het huis uitglipt om te demonstreren tegen het regime, en zijn moeder daarmee de donkerste uren van haar leven bezorgt.

Anno 2010 in Teheran leven en getuige zijn van het meest bepalende moment in de geschiedenis van de Islamitische Republiek – nee, dat was niet het plan van Hossein. In 1976 verliet hij Iran – hij was toen zestien - en ging hij in het buitenland studeren. Zijn vader, lid van een communistische partij die zich verzette tegen de shah, wilde dat zijn zoon de wereld ontdekte. In een Aziatisch land werd Hossein verliefd op “de mooiste vrouw die hij ooit gezien had”, en al snel besloten ze om na hun studie naar Amerika te verhuizen. Toen de straten van Teheran in januari 1979 in brand stonden, zag Hossein de beelden alleen op televisie. Dagelijks belde hij met zijn vader, in wiens stem steeds meer opwinding doorklonk: het corrupte regime van de shah zou vallen en weldra zou alles anders worden. Iran een paradijs, de bevolking eindelijk vrij, de communisten niet langer ondergronds en de hoop herrezen. Op 11 februari 1979 was het zover: het regime van shah Reza Pahlavi viel, en Iran werd een Islamitische Republiek met ayatollah Khomeini aan het hoofd.

Hossein deelde de vreugde van zijn vader en zijn landgenoten, maar zijn leven in Iran was een afgesloten hoofdstuk: het vaderland was een vakantiebestemming geworden. Tot plots in 1980 de oorlog met Irak uitbrak. “Ik kon niet meer slapen. Ik kon niet meer eten. Ik zag mijn landgenoten sterven in de loopgraven en nam een radicaal besluit. Ik verliet de vrouw van wie ik hield en keerde terug naar Iran. Bij de grens met Turkije vroegen ze me of ik gek was geworden. Iedereen verliet het land, maar ik wilde naar binnen. Voor mij was de oorlog de druppel. Het was mijn plicht om te vechten tegen Irak. Geen vrouw die me kon tegenhouden.”

Tijdens de bloedige Iran-Irakoorlog (1980-1988) zag Hossein tientallen vrienden sterven. “Het was de hel. En toch: ik was soms minder angstig op het slagveld dan de afgelopen maanden in de straten van Teheran. In een oorlog is er structuur. Er zijn wetten en regels. Vandaag hoor ik de Islamitische Republiek daveren op zijn grondvesten, en ik ben bang voor de wetteloosheid en de chaos die misschien zullen volgen. Niet bang voor mijn eigen toekomst. Wel voor die van mijn zoon, wiens leven nog moet beginnen.”

De stem van vuil en stof

Het was op Ferdousi Square, in hartje Teheran, dat ik Hossein voor het eerst ontmoette. Na een reportage van drie weken door het Iraanse binnenland kwam ik op 21 juni weer aan in de hoofdstad, die een belegerde plek was geworden. De dag voordien was Neda Agha Soltan doodgeschoten, de jonge vrouw die sindsdien is uitgegroeid tot het symbool van het verzet tegen het Iraanse regime. De straat opgaan was gevaarlijk, maar ik deed het toch: ik moest geld wisselen om mijn (verplichte) terugkeer naar België te betalen. In het wisselkantoor stond een groep mensen muisstil te staren naar een televisiescherm waarop de legendarische traditionele zanger Mohammed Reza Shajarian te zien was. Hij bezong de liefde in een decor dat uit Duizend-en-één-nacht leek te komen, en ik begreep het niet: een tiental Iraniërs, anders erg spraakzaam in groep, luisterde in volstrekte stilte naar muziek. Op veel gezichten las ik droefheid en woede. Hossein zag mijn vertwijfeling en stapte op me af. “Khabar negar hastin, bent u journalist?” Ja, antwoordde ik, en hij legde me de grote aandacht voor Shajarian uit. President Ahmadinejad had op 18 juni de demonstranten tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen ‘vuil’ en ‘stof’ genoemd, en daarop had Shajarian meteen fel gereageerd: hij vroeg de staatsradio zijn liedjes niet langer uit te zenden. “Mijn stem is de stem van vuil en stof en dat zal altijd zo blijven.” Meteen begreep ik wat er in het wisselkantoor aan de hand was: kijken naar een optreden van Shajarian was een vorm van stil protest tegen het regime.

Meer dan een half jaar na de betwiste presidentsverkiezingen van 12 juni 2009 is het protest in Iran niet langer stil. De Groene Beweging is strijdvaardiger dan ooit en heeft grootse protesten aangekondigd op 11 februari – ‘22 Bahman’ in de Perzische kalender, en de dag waarop in 1979 het regime van de shah viel en Iran een Islamitische Republiek werd. De Groene Beweging roept onder meer op Facebook de bevolking én de wereld op om op 22 Bahman massaal te demonstreren tegen het regime.


Nooit meer slapen

Sinds die dag in het wisselkantoor zijn Hossein en ik in contact gebleven. Per mail, soms per telefoon, maar gemakkelijk verloopt de communicatie niet: er zijn dagen waarop het regime het internet en mobiele telefoonverkeer platlegt. Vaak kan Hossein de slaap niet vatten. Hij steunt de Groene Beweging, gelooft in hun gevecht, maar wat gebeurt er als zij het regime omverwerpen? Wordt het beter in Iran, of wordt het net erger? Het is een angst die hij deelt met veel Iraniërs van zijn generatie: ook zij streden tegen een dictatoriaal regime, maar kregen een nieuw schrikbewind in de plaats. Zijn zoon Saaed verwijt het hem soms: de strijd die zijn leeftijdsgenoten vandaag leveren is het gevolg van de ‘foute’ Revolutie van hun ouders. Maar voor Hossein was de Revolutie geen vergissing. “Natuurlijk heeft onze generatie fouten gemaakt, zowel voor als kort na de Revolutie. Maar de Revolutie zelf was een goede zaak. De jongeren in Iran hebben het regime van de shah niet meegemaakt. Wanneer ze hun ouders de wantoestanden van 31 jaar Islamitische Republiek voor de voeten gooien, voegen ze daar al te gemakkelijk aan toe dat het onder de shah veel beter was. Maar ze vergeten dat de shah óók een tiran was. De grootste Perzische koningen zijn altijd de vader van hun volk geweest. Dat was het laatste wat je van de shah kon zeggen. Toen in 1971 het feest van 2500 jaar Perzische monarchie werd gevierd, ging hij als een dwaze voor het graf van koning Cyrus de Grote staan. Weet je wat hij zei? Ik, de koning der koningen van Iran, groet u namens mezelf en mijn volk. Slaap in vrede, want wij zijn wakker, en we zullen altijd wakker blijven. Dát was de shah. Grootheidswaanzin en arrogantie. Hij was absoluut niet wakker. Hij sliep en hij was blind voor de verzuchtingen van zijn volk. Erger nog: hij vertrouwde zijn volk niet. Daarom is het goed dat de Iraniërs hem in 1979 een lesje hebben geleerd. Ze lieten hun macht zien aan een dictator die zijn onderdanen, zoals Khomeini zei, als honden behandelde. Maar toch heeft mijn zoon ook gelijk: met de ayatollahs is het alleen maar erger geworden. Zelfs mijn vader, die communist was, hield van Khomeini en geloofde dat hij goed was voor Iran. Maar we vergisten ons. We zijn bedrogen, en de woede daarover ligt al 31 jaar te smeulen onder de grond van dit land. Ik geloof dat we die woede met ons bloed aan onze kinderen hebben doorgegeven, en dat zij de vulkaan zullen doen uitbarsten. Mijn zoon is geen harde demonstrant. Als het gevaarlijk wordt, keert hij meteen terug naar huis. Maar zelfs in de alledaagse dingen die hij doet, merk ik dat niemand het gevecht van de jonge generatie voor vrijheid kan tegenhouden. Hij speelt basketbal en droomt over een leven als NBA’er in Amerika. Zelfs zijn voorzichtige vader heeft hij zover gekregen om ’s avonds van ons huis een disco te maken. In Iran is dansen op westerse muziek verboden, maar wij hebben er iets op gevonden. Op een paar kasten in de woonkamer leggen we grote zaklampen waarop ik gekleurde folie heb gekleefd. De flashlights doen hun werk, en mijn zoon geniet. Als ik op die momenten naar hem kijk, denk ik vaak aan de woorden van ayatollah Khomeini, die ooit zei dat Allah de mens niet heeft geschapen opdat hij plezier zou hebben, en dat een islamitisch regime op elk vlak ernstig moet zijn. Ik heb respect voor het gevecht van Khomeini tegen de shah, maar hij vergiste zich. De Islamitische Republiek bestaat straks 31 jaar, en de mensen hebben er genoeg van. Ze willen weer plezier kunnen maken. Eigenlijk is dat de kern van de zaak.”

Wanneer ik enkele dagen na mijn telefoongesprek met Hossein deze tekst neerschrijf, denk ik aan Ahmad Shamloo, de beroemdste Perzische dichter uit de 20ste eeuw die heeft neergeschreven hoezeer mensen kunnen hopen en dromen wanneer alles rond hen chaos en wanhoop lijkt: ik denk/ dat mijn hart/nooit zo warm en rood is geweest:/ik voel/dat in mijn hart/duizend bronnen van de zon,/tijdens de ergste minuten van deze dodelijke/nacht/borrelen van geloof.

Ik denk dat Iran op 22 Bahman een dodelijke nacht zal kennen, maar ik voel dat Hossein en zijn zoon de stem vertolken van miljoenen Iraniërs wier hart nog nooit zo warm en groen is geweest, en borrelt van geloof in een land waarin plezier geen doodzonde maar een mensenrecht is.

Hossein en Saeed zijn, om veiligheidsredenen, fictieve namen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen